Zintuiglijke waarneming bij de hond deel 2: Visuele waarneming (ogen en zicht)

Het zicht is zeer belangrijk voor de communicatie tussen honden onderling maar ook tussen mens en hond. Honden kunnen subtiele bewegingen en houdingen waarnemen die zeer belangrijke informatie geeft voor een goede sociale communicatie en harmonieuze interactie. Daarnaast wordt het zicht gebruikt om veranderingen in de omgeving waar te nemen die de hond niet met zijn andere zintuigen kan waarnemen.

Honden worden blind geboren. De ogen openen rond 10-16 dagen en het zicht is volledig ontwikkeld rond 4-5 weken. In verband met een goede socialisatie is het dus zinvol om de pup vanaf 2 weken leeftijd in contact te brengen met allerlei visuele prikkels.

Afbeelding: oog hond

Lichtprikkels gaan door het hoornvlies of cornea, het vocht in de voorste oogkamer, de lens en het glasachtig lichaam om vervolgens op het netvlies of retina terecht te komen. Deze laag bevat de fotoreceptoren die de prikkels opvangen. De twee soorten receptoren, verantwoordelijk voor het zicht, zijn de kegeltjes en staafjes. Mensen hebben drie soorten kegeltjes (trichromatisch zicht) die elk een andere kleur opvangen: rood, groen en blauw. Honden hebben slechts twee soorten kegeltjes (dichromatisch zicht) om groene en blauwe tinten op te vangen. Hierdoor leeft de hond in een minder kleurrijke wereld dan wij. Honden kunnen blauwe en gele voorwerpen onderscheiden. Rood, oranje en groen worden vermoedelijk als tinten van geel en blauw waargenomen. Naast kleurtint (golflengte van het licht) spelen ook verzadiging (intensiteit van de kleur) en helderheid (licht-donker) een rol bij het kleurenzien. Zo toonde onderzoek aan dat honden het verschil tussen groenblauw en grijs niet kunnen waarnemen. Honden blijken ook minder goed dan mensen in staat te zijn om verschillende grijstinten waar te nemen.

Naast het opvangen van kleuren zijn de kegeltjes ook van belang bij het zien van details. Honden kunnen 3-4 keer minder juist zien dan mensen. Honden kunnen een voorwerp gedetailleerd zien tot 6 meter, terwijl mensen die tot 22,5 meter kunnen. Dit heeft te maken met de aanwezigheid van de gele vlek in het menselijk netvlies, die niet als dusdanig aanwezig is bij de hond.

Afbeelding: trichromatisch zicht mens (boven) vergeleken met dichromatisch zicht hond (onder)

Afbeelding: trichromatisch zicht mens (links) vergeleken met dichromatisch zicht hond (rechts)

De staafjes nemen geen kleuren waar en hebben een lage prikkeldrempel. Hierdoor zijn zij zeer gevoelig voor lichtprikkels bij lage lichtintensiteit. Bij duisternis zullen voornamelijk de staafjes het licht opvangen. Het netvlies van de hond bevat veel meer staafjes (97 %) dan kegeltjes (3 %). Hierdoor is het hondenoog beter in staat licht en donker te onderscheiden en bewegingen waar te nemen dan kleuren en details te zien. Het menselijk netvlies bevat ter vergelijking bijna 5 % kegeltjes.

Een tweede groot verschil tussen het mensen- en hondenoog is de aanwezigheid van een extra laag achter het netvlies, het tapetum lucidum, bij de hond. Hierdoor kunnen honden veel beter zien in het donker. Bij duisternis zullen de pupillen dilateren waardoor er meer licht in het oog kan vallen. Het licht dat niet geabsorbeerd wordt in de retina wordt door het tapetum lucidum teruggekaatst zodat het licht een tweede maal het netvlies passeert. Hierdoor komt het dat honden een groene reflectie in hun ogen hebben als je er bij duisternis met licht in schijnt.

Afbeelding: mensenoog zonder tapetum lucidum versus honden- en kattenoog met tapetum lucidum

Nachtzicht wordt eveneens mogelijk gemaakt door de chemische stof rodopsine in de staafjes. Als er zwak licht op de staafjes valt, veroorzaakt het rodopsine een zenuwimpuls waardoor de prikkel verder gestuurd wordt naar de hersenen.

Net zoals bij mensen, komt ook bij honden verziendheid (hypermetropie) en bijziendheid (myopie) voor. Een onderzoek toonde aan dat 64 % van de geteste rottweilers en 53 % van de Duitse herders bijziendheid vertoonden. Hetzelfde onderzoek toonde eveneens aan dat in een testpopulatie Duitse herders die een opleiding voor blindengeleidehond kregen slechts 15 % was aangetast. Dit zou te verklaren zijn doordat blindengeleidehonden reeds een, bewuste of onbewuste, selectie op zicht hebben doorgemaakt.

Algemeen staan de ogen van roofdieren meer naar voor gericht dan deze van prooidieren, waardoor ze een veel scherper en breder binoculair gezichtsveld hebben dat verantwoordelijk is voor het dieptezicht. Het perifere gezichtsveld bedraagt bij de gemiddelde hond 250° (sterk afhankelijk van de schedelvorm) ten opzicht van 180° bij de mens. Dieptezicht is afhankelijk van de overlap tussen beide ogen. Afhankelijk van de vorm van de schedel (metacefaal, doligocefaal en brachycefaal) zal de hond meer of minder overlap tussen beide ogen en dus dieptezicht hebben. Naast het binoculaire zicht spelen ook hoofdbewegingen een rol bij het dieptezicht.

Afbeelding: binoculair zicht van een roofdier, prooidier en de mens

Afbeelding: zicht van een metacefale (links), doligocefale (midden) en brachycefale (rechts) hond

Honden kunnen minder goed focussen dan mensen. Om voorwerpen dichtbij te zien, zal de lens boller worden, terwijl ze platter wordt om voorwerpen veraf te zien (lensaccommodatie). Indien het voorwerp dichter dan 33-50 cm bij de ogen is, kan de hond niet meer scherp zien, de mens kan dit tot op een afstand van 7-10 cm.

Afbeelding: lensaccommodatie

Bij blinde honden proberen de andere zintuigen, zoals gehoor en geur, het verlies van het zicht te compenseren. Dit blijkt zeer goed te lukken bij de meeste honden, maar desondanks vertoont een kleine groep honden meer aandachtzoekend gedrag, meer angst naar vreemden en/of meer angst naar andere honden. Uiteraard zullen blinde of slechtziende honden een aangepaste training en management vereisen, zoals het niet verplaatsen van voorwerpen in huis.

Auteur: dierenarts-gedragsdeskundige Ilse Rediers © 2011. Dit artikel werd voorgesteld op het symposium “Een Beet-je Gedrag, … Inleiding in de Kynethologie” door KMSH op 22/10/2011.

 Zie ook: Zintuiglijke waarneming bij de hond deel 1: Inleiding

Zie ook: Zintuiglijke waarneming bij de hond deel 3: Auditieve waarneming (oren, gehoor en evenwicht)

Zie ook: Zintuiglijke waarneming bij de hond deel 4: Olfactorische waarneming (neus en geur)

Zie ook: Zintuiglijke waarneming bij de hond deel 5: Somatosensorische waarneming (huid en gevoel)

Zie ook: Zintuiglijke waarneming bij de hond deel 6 (slot): Gustatieve waarneming (tong en smaak) en besluit

REFERENTIES

  • Chester, Z. and Clark, W.T. (1988). Coping with blindness: A survey of 50 blind dogs. Vet. Rec., 123: 668-671.
  • Lindsey, S.R. (2000). Handbook of Applied Dog Behavior and Training. Volume I: Adaptation and Learning, Chapter 4, Sensory Abilities, 127-165, Blackwell Publishing, Ames.
  • Miklósi, Á. (2009). Dog Behaviour, Evolution, and Cognition. Chapter 6, The perceptual world of the dog, 137-150, Oxford University Press, Oxford.
  • Miller, P.E. and Murphy, C.J. (1995). Vision in dogs. JAVMA, 207: 1623-1634.
  • Murphy, C.J., Zadnik, K., and Mannis, M.J. (1992). Myopia and refractive error in dogs. Invest. Ophthalmol. Vis. Sci., 33: 2459-2463.
  • Peichl, L. (1991). Catecholaminergic amacrine cells in the dog and wolf retina. Vis Neurosci. 7: 575-587.
  • Pretterer, G., Bubna-Littitz, H., Windischbauer, G., Gabler, C. and Griebel, U. (2004). Brightness discrimination in the dog. J. Vis., 4: 241-249.
U kunt geen kopie maken van deze inhoud.